Het achterland voorbij

Het water stroomt, bijna achteloos,over de rimpels van mijn ruwe huid. Als een rivier door het achterland, waar jij,eindeloos zwervend, op me wacht.Waar we samen, jij de handen stevig in de zakken,slenterend het zandpad over gaan.

Waar de keuken warmte ademt, een welkom.Waar de delfts blauwe kopjes, in al hun vergane glorie,staan te wachten op de koffie van half acht.Waar jij je grijze hoofd, tevreden buigt, over de grootste koppen van de krant.

Maar als jouw beeld verdwijnt, hult de keuken zich in schemerdonker. Terwijl ik mijn kopje was, staat het jouwe onaangeroerd in de kast. Waar het delfts blauw langzaam vergaat. En even aarzel ik bij de ongelezen krant.Misschien morgen, denk ik, als ik met alle liefde die in me is de restanten van jouw tuin, bijna achteloos, voorzie van water.

En terwijl het water door de barsten van de droge aarde stroomt, dringt jouw glimlach zich op aan mijn gedachten. Ik leun nog even in je warmte, voordat ik je zacht vertel dat het tijd is om voorgoed te gaan. Wetend dat ik zonder jou maar voor de helft besta. En dat de beste helft met jou vertrekt. Mijn licht, daar waar ik donker ben.

De zon breekt kwetsbaar door de wolken. En heel even waait de wind, als in een bijna achteloos gebaar, je hand weer door m’n haar. Een belofte als een zachte bries droogt het water in de rimpels van mijn ruwe huid. Het zandpad stuift, onder jouw slenterend vertrek. De handen stevig in de zakken. Eindeloos zwervend. Het achterland voorbij.