Het achterland voorbij

Het water stroomt, bijna achteloos,over de rimpels van mijn ruwe huid. Als een rivier door het achterland, waar jij,eindeloos zwervend, op me wacht.Waar we samen, jij de handen stevig in de zakken,slenterend het zandpad over gaan.

Waar de keuken warmte ademt, een welkom.Waar de delfts blauwe kopjes, in al hun vergane glorie,staan te wachten op de koffie van half acht.Waar jij je grijze hoofd, tevreden buigt, over de grootste koppen van de krant.

Maar als jouw beeld verdwijnt, hult de keuken zich in schemerdonker. Terwijl ik mijn kopje was, staat het jouwe onaangeroerd in de kast. Waar het delfts blauw langzaam vergaat. En even aarzel ik bij de ongelezen krant.Misschien morgen, denk ik, als ik met alle liefde die in me is de restanten van jouw tuin, bijna achteloos, voorzie van water.

En terwijl het water door de barsten van de droge aarde stroomt, dringt jouw glimlach zich op aan mijn gedachten. Ik leun nog even in je warmte, voordat ik je zacht vertel dat het tijd is om voorgoed te gaan. Wetend dat ik zonder jou maar voor de helft besta. En dat de beste helft met jou vertrekt. Mijn licht, daar waar ik donker ben.

De zon breekt kwetsbaar door de wolken. En heel even waait de wind, als in een bijna achteloos gebaar, je hand weer door m’n haar. Een belofte als een zachte bries droogt het water in de rimpels van mijn ruwe huid. Het zandpad stuift, onder jouw slenterend vertrek. De handen stevig in de zakken. Eindeloos zwervend. Het achterland voorbij.

Landschap

Vandaag ben ik een landschap. Verstild, verstomd. In het schemer onttrokken aan bijna alle kleur.

Ik waai het stof langs de zolen van de schoenen die mijn grond betreden. Blaas een verloren blad voorzichtig langs de grond. Een korrel zand danst in slow motion voor me uit. Surrealistisch in beweging gaat alles net niet vooruit. Ik adem in, en langzaam uit. Mijn lucht die zindert van belofte. Alsof er iets, of niets gebeuren gaat.

Duizend hoeven rennend door het zachte dorre gras schudden mijn zandgrond langzaam los. Zwart krijgt kleur. Wit verblindt, verrast. De windmolens draaien, de bomen waaien en de zon schijnt op volle kracht. Donkere wolken pak ik langzaam samen. Dynamiek in vol contrast.

Ik vul mij met het water dat de wolken laten gaan. Verander trage modderstromen in kolkend, bruisend water. Ik adem in, en langzaam uit. Mijn lucht die zindert van belofte in het grijsblauw van de schemernacht. Een rivier landt in mijn bedding van een vergane dag. Ik blaas het laatste stof voorzichtig door het water.

Vandaag ben ik een landschap. Verstild, verstomd.

Schrijver

De schemering draagt zijn blik door de vitrage heen naar buiten. Flarden van fietsers trekken voorbij. De koude koffie slaat tegen de glazen van zijn bril als hij zich verslikt. Het ritueel. Alsof hij het had kunnen weten. Of had kunnen veranderen. Hij vermoedt van niet.

De stilte schrijft zijn woorden aan elkaar. Een mist van tranen trekt behoedzaam langs de scherpste randen van zijn zinnen. Alsof hij haar beschermen wil. De waarheid. Of koesteren misschien. Hij weet het niet. Op iedere komma haalt hij adem. Hoort de stemmen in zijn hoofd. In een taal die niet valt te weerleggen. Woorden zonder weerwoord. Hij besluit ze te weerstaan. De duisternis valt.

De zon breekt door het schild van uiterlijk vertoon. De verhaallijn in zwart-wit trekt een spoor van irritatie door de kamer. De schrijver ontwaakt op een leeg vel papier. Zelfs geen eerste zin. Hij geniet van de stilte in zijn hoofd. Bedenkt zijn personages als hij fluitend door de straten van zijn stadje loopt. Struikelt met iedere stap over de wereld aan zijn voeten. En vertrekt voor de schemering valt.

Beslagen Glas

Langzaam wrijft hij met de mouw van zijn jas over het beslagen raam. Even lukt het hem om zijn blik op haar scherp te krijgen. Voor ze weer de schim wordt van de vrouw die ze vroeger was.

Haar kant van het glas is helder. Ze kijkt dwars door hem heen naar de jongen die hij voor haar was. In een wereld die altijd ver achter hem lag. Die hij kent uit de verhalen van vroeger.En hij vraagt zich af wie ze ziet. De jongen van toen of de man van nu, maar dan jonger.

Hij staat voor het raam, bang om naar binnen te gaan. In haar wereld balanceert hij, voorzichtig als een koorddanser, om haar woorden en gedachten heen. Probeert te volgen waar zij leidt, maar raakt zichzelf steeds kwijt in het ritme dat bij haar passen hoort. Soms zevenmijlslaarzen groot, soms schuifelende kousenvoeten klein. Een leven lang hebben zij elkaar aangeraakt. Maar daar waar haar verhalen stoppen zijn ze de verbinding kwijtgeraakt. Daar waar zijn eerste herinnering ontstaat.

Langzaam wrijft hij met zijn mouw over het beslagen raam. Hij ziet haar staan. Broos en doorzichtig. Dan kijkt ze hem verlegen aan. Ontmoet hem met een glimlach in haar verleden. Verwarrend en helend. Het glas beslaat als hij zich omdraait om te gaan.

Verleden

De lucht ademt een stilte die er niet is. In de verlatenheid voelt hij het dreunen van het verleden onder zijn voeten met iedere stap die hij zet. Hij hoort de stemmen schreeuwen in een heden dat volledig is verstomd. Met zijn handen schraapt hij zacht de flarden van verhalen van de muren. De verf laat sporen na die vertellen van geweld. De gezichten in zwart-wit verbeelden kracht met meer kleur dan het rood op de muur ooit zal krijgen. Hij dwaalt en verdwaalt. Hij wil weg en blijven. Bevatten, maar nog veel liever niet. En verdwijnen voordat hij beseft dat het verleden meer idealen bevat dan hij voor het heden nog zou kunnen bedenken.

Inktzwarte tranen

Druppel voor druppel, als inktzwarte tranen, vinden mijn woorden hun weg door jouw verhaal. Het vlekt, emotie na emotie, door de rimpels van mijn handen. Ik schrijf. De hoekjes van het blad gevouwen, daar waar het leven onthoudbaar moet zijn. De foto’s verbleekt, vervaagd door het verre verleden. Het heden steeds scherper van kleur, maar steeds minder sprekend. Zwijgzaam, in gedachten, bijna gedachteloos kijk je me aan. Onze handen vinden elkaar. Verloren, verdwaald of met opzet vergeten. In het plot van mijn leven laat ik je gaan.