Het achterland voorbij

Het water stroomt, bijna achteloos,over de rimpels van mijn ruwe huid. Als een rivier door het achterland, waar jij,eindeloos zwervend, op me wacht.Waar we samen, jij de handen stevig in de zakken,slenterend het zandpad over gaan.

Waar de keuken warmte ademt, een welkom.Waar de delfts blauwe kopjes, in al hun vergane glorie,staan te wachten op de koffie van half acht.Waar jij je grijze hoofd, tevreden buigt, over de grootste koppen van de krant.

Maar als jouw beeld verdwijnt, hult de keuken zich in schemerdonker. Terwijl ik mijn kopje was, staat het jouwe onaangeroerd in de kast. Waar het delfts blauw langzaam vergaat. En even aarzel ik bij de ongelezen krant.Misschien morgen, denk ik, als ik met alle liefde die in me is de restanten van jouw tuin, bijna achteloos, voorzie van water.

En terwijl het water door de barsten van de droge aarde stroomt, dringt jouw glimlach zich op aan mijn gedachten. Ik leun nog even in je warmte, voordat ik je zacht vertel dat het tijd is om voorgoed te gaan. Wetend dat ik zonder jou maar voor de helft besta. En dat de beste helft met jou vertrekt. Mijn licht, daar waar ik donker ben.

De zon breekt kwetsbaar door de wolken. En heel even waait de wind, als in een bijna achteloos gebaar, je hand weer door m’n haar. Een belofte als een zachte bries droogt het water in de rimpels van mijn ruwe huid. Het zandpad stuift, onder jouw slenterend vertrek. De handen stevig in de zakken. Eindeloos zwervend. Het achterland voorbij.

Schrijver

De schemering draagt zijn blik door de vitrage heen naar buiten. Flarden van fietsers trekken voorbij. De koude koffie slaat tegen de glazen van zijn bril als hij zich verslikt. Het ritueel. Alsof hij het had kunnen weten. Of had kunnen veranderen. Hij vermoedt van niet.

De stilte schrijft zijn woorden aan elkaar. Een mist van tranen trekt behoedzaam langs de scherpste randen van zijn zinnen. Alsof hij haar beschermen wil. De waarheid. Of koesteren misschien. Hij weet het niet. Op iedere komma haalt hij adem. Hoort de stemmen in zijn hoofd. In een taal die niet valt te weerleggen. Woorden zonder weerwoord. Hij besluit ze te weerstaan. De duisternis valt.

De zon breekt door het schild van uiterlijk vertoon. De verhaallijn in zwart-wit trekt een spoor van irritatie door de kamer. De schrijver ontwaakt op een leeg vel papier. Zelfs geen eerste zin. Hij geniet van de stilte in zijn hoofd. Bedenkt zijn personages als hij fluitend door de straten van zijn stadje loopt. Struikelt met iedere stap over de wereld aan zijn voeten. En vertrekt voor de schemering valt.

Beslagen Glas

Langzaam wrijft hij met de mouw van zijn jas over het beslagen raam. Even lukt het hem om zijn blik op haar scherp te krijgen. Voor ze weer de schim wordt van de vrouw die ze vroeger was.

Haar kant van het glas is helder. Ze kijkt dwars door hem heen naar de jongen die hij voor haar was. In een wereld die altijd ver achter hem lag. Die hij kent uit de verhalen van vroeger.En hij vraagt zich af wie ze ziet. De jongen van toen of de man van nu, maar dan jonger.

Hij staat voor het raam, bang om naar binnen te gaan. In haar wereld balanceert hij, voorzichtig als een koorddanser, om haar woorden en gedachten heen. Probeert te volgen waar zij leidt, maar raakt zichzelf steeds kwijt in het ritme dat bij haar passen hoort. Soms zevenmijlslaarzen groot, soms schuifelende kousenvoeten klein. Een leven lang hebben zij elkaar aangeraakt. Maar daar waar haar verhalen stoppen zijn ze de verbinding kwijtgeraakt. Daar waar zijn eerste herinnering ontstaat.

Langzaam wrijft hij met zijn mouw over het beslagen raam. Hij ziet haar staan. Broos en doorzichtig. Dan kijkt ze hem verlegen aan. Ontmoet hem met een glimlach in haar verleden. Verwarrend en helend. Het glas beslaat als hij zich omdraait om te gaan.

Verleden

De lucht ademt een stilte die er niet is. In de verlatenheid voelt hij het dreunen van het verleden onder zijn voeten met iedere stap die hij zet. Hij hoort de stemmen schreeuwen in een heden dat volledig is verstomd. Met zijn handen schraapt hij zacht de flarden van verhalen van de muren. De verf laat sporen na die vertellen van geweld. De gezichten in zwart-wit verbeelden kracht met meer kleur dan het rood op de muur ooit zal krijgen. Hij dwaalt en verdwaalt. Hij wil weg en blijven. Bevatten, maar nog veel liever niet. En verdwijnen voordat hij beseft dat het verleden meer idealen bevat dan hij voor het heden nog zou kunnen bedenken.

Inktzwarte tranen

Druppel voor druppel, als inktzwarte tranen, vinden mijn woorden hun weg door jouw verhaal. Het vlekt, emotie na emotie, door de rimpels van mijn handen. Ik schrijf. De hoekjes van het blad gevouwen, daar waar het leven onthoudbaar moet zijn. De foto’s verbleekt, vervaagd door het verre verleden. Het heden steeds scherper van kleur, maar steeds minder sprekend. Zwijgzaam, in gedachten, bijna gedachteloos kijk je me aan. Onze handen vinden elkaar. Verloren, verdwaald of met opzet vergeten. In het plot van mijn leven laat ik je gaan.

Schaduwkind

Hij voelt de duw voordat de hand hem raakt. De modder in de palmen van zijn handen voor hij valt. De trap na, die hem net niet raakt. Het hoongelach. Zijn bal die over de zachte bosgrond stuitert. De ogen gesloten wacht hij roerloos tot de schemer hem haalt. Dan staat hij op.

Het bospad kraakt onder de zolen van zijn afgetrapte gympen. Achter iedere boom ziet hij de schimmen die hem volgen. Handen in zijn zakken spelen met de kiezels die hij vond. De verloren weg terug. Zijn voetbal blijft vergeten achter.

De wind waait met vlagen van troost zijn wangen droog. De sporen gewist als hij voorzichtig over de bosrand stapt. Het asfalt maakt zijn benen sterker. Stap voor stap richting de zon die achter de contouren van zijn stad verschijnt.

Het schoolplein verlaten. Verloren kijkt hij om zich heen. De schommel kraakt als zijn zolen afzetten tegen de grond. Hij voelt de duw voordat de hand hem raakt. Zijn handen klemmen zich in houvast om te touwen. Steeds hoger tot de wind de modder van zijn kleren waait. De ogen gesloten wacht hij roerloos tot de zon hem haalt.