Nachtlandschappen

Het is daar dat ik één word met mijn schaduw en slechts de echo van mijn stappen verraadt dat ik meer ben. Het is daar dat woorden zinnen worden, dat het diepst van mijn gedachten de stilte oplost tot een geborgen gefluister. Het is daar waar zicht me laat dwalen en tast me weer vindt in een eindelijk of eindeloos alleen. Waar daglicht me redt, maar veel te vroeg nog laat ontwaken. 

Geborgen geuren

Het is de zwaarte die me raakt als we de kapel betreden. De stilte die alles wat er was tot aan de deur verstomt. Ik adem in, op z’n allerdiepst. De geborgen geuren van het hout stellen me gerust. Hier voelt het veilig.

We mediteren. Mijn ogen dicht gaan langzaam open. Hechten zich aan het kwetsbare hout op de vloer. Van een eenvoud zo puur dat het me raakt. De man die net onhoorbaar naast me schoof volgt mijn blik en knikt. Begrijpt me zonder woorden. En neemt me mee, naar nog mooier hout. Zo’n 300 jaar oud.

Ik blijf kijken, maar ik zie het niet. Dan pakt hij voorzichtig de toppen van mijn vingers en leidt ze over het gepolijste blad van de tafel die voor ons staat. Eén voor één voel ik de plekken waar de borden van de paters al die jaren hebben gestaan. En ik adem in, op z’n allerdiepst. Wat een prachtig verhaal.’

Op 23 augustus 2018 schreven we met 10 dichters Poëzie in het klooster bij dichter Monica Boschman. Een impressie van één van de bijzondere momenten van die dag in woorden en een klein beetje beeld.

Verlegen geel

Een kaart. De contouren van een route met ruimte om te dwalen. Een zoektocht naar woorden die zich hechtte aan gevels in een definitief zijn. Zinnen verborgen achter deuren gesloten , maken nieuwsgierig naar meer. Het zijn de plekken, de vormen die de interpretatie mede bepalen. Roest dat roest vindt in het zicht van de haven. Woorden die je dragen over de golven heen. De weg er naar toe, de maat van de treden die de stappen vertragen. Tot aan het verlegen geel onder woorden die raken als het eindpunt van een prachtige reis.

Het kind

Ik ken maar weinig van zijn dromen. Of hoe hij ze laat gaan. Alleen de echo van zijn stappen door de mijne. De flinterdunne lach die schatert door zijn ogen. Het eeuwig staren naar een horizon die niemand anders ziet. Nachten die raken meer nog dan dag. Tranen die dalen tot aan het zachtst van zijn matras. Ik ken maar weinig van zijn dromen. Of hoe ik hem moet laten gaan. De verhalen in zijn ogen. De woorden die raken. De duizend klanken van zijn stem. Het kind in zijn alles.

De stad

Je kunt het wel, op eigen benen. De wankelende ronde door de stad. De mensen die zien hoe goed het gaat. Ook al denk ik van niet. De lijnen nog dieper, de waas van vergaan nog net iets sterker. De schijn nog even op. Tot de tijd zich sluit. Dan luid ik de klokken in jouw stad en loop een laatste ronde. Word herkend, zonder te kennen, alleen uit de verhalen en zij misschien ook. Het geloof als ze zien hoe goed het gaat. Ook al denk ik van niet.

Geborgen

Woorden die breken net voordat ze raken. Ontbinden draden, vezel voor vezel, langs het dikst van een huid. Alleen daar waar nooit wrijving was valt een flinterdunne lach, doorzichtig als glas, over een diepste blik naar binnen. Ontrafelt de stilte die dwaalt langs de wervels van een licht gebogen rug. Onthult de plekken waar het zacht is. Waar ik klein en geborgen mag zijn. Zonder het ooit te willen, het weten is genoeg.

Foto

Ik schrijf namen op de foto’s om je onrust te verjagen. Definieer je aan de hand van de gezichten op de muur. Alsof je zonder het niets was, niets eigens had. Ik zoek je in de stilte van de kamer. Met je ogen dicht geniet je van de zon op je gezicht. Mijn leven raast voorbij achter de huizenhoge ramen. Jij ruikt slechts de rozen. Het is heerlijk in de tuin.

Het achterland voorbij

Het water stroomt, bijna achteloos,over de rimpels van mijn ruwe huid. Als een rivier door het achterland, waar jij,eindeloos zwervend, op me wacht.Waar we samen, jij de handen stevig in de zakken,slenterend het zandpad over gaan.

Waar de keuken warmte ademt, een welkom.Waar de delfts blauwe kopjes, in al hun vergane glorie,staan te wachten op de koffie van half acht.Waar jij je grijze hoofd, tevreden buigt, over de grootste koppen van de krant.

Maar als jouw beeld verdwijnt, hult de keuken zich in schemerdonker. Terwijl ik mijn kopje was, staat het jouwe onaangeroerd in de kast. Waar het delfts blauw langzaam vergaat. En even aarzel ik bij de ongelezen krant.Misschien morgen, denk ik, als ik met alle liefde die in me is de restanten van jouw tuin, bijna achteloos, voorzie van water.

En terwijl het water door de barsten van de droge aarde stroomt, dringt jouw glimlach zich op aan mijn gedachten. Ik leun nog even in je warmte, voordat ik je zacht vertel dat het tijd is om voorgoed te gaan. Wetend dat ik zonder jou maar voor de helft besta. En dat de beste helft met jou vertrekt. Mijn licht, daar waar ik donker ben.

De zon breekt kwetsbaar door de wolken. En heel even waait de wind, als in een bijna achteloos gebaar, je hand weer door m’n haar. Een belofte als een zachte bries droogt het water in de rimpels van mijn ruwe huid. Het zandpad stuift, onder jouw slenterend vertrek. De handen stevig in de zakken. Eindeloos zwervend. Het achterland voorbij.