Strandjutter

Ik jut strand. Korrel voor korrel,
tot de bodem is bereikt.
Langzaam stijgt het water.
 
Wordt zee weer vaste land.
En vaste land weer zee.
Waar ik onverschrokken stond
raak ik onder water.
 
Ik jut strand. Waterzakken vol.
De zee weer waar hij was.
Ik wring het zout mijn ogen uit
en voel de grond verstijven.
 
Ik jut strand. Waar ik zee vind
zwem ik water. Waar ik strand vind
rust ik zand.
 
Ik jut strand. Het tij wist mijn sporen.
Water. Het strand verlaten.
Alsof er nooit een jutter was.
 

Nachtlandschappen

Het is daar dat ik één word met
mijn schaduw en slechts de echo van
mijn stappen verraadt dat ik meer ben.
 
Het is daar dat woorden zinnen worden,
dat het diepst van mijn gedachten de stilte
oplost tot een geborgen gefluister.
 
Het is daar waar zicht me laat dwalen
en tast me weer vindt, in een eindelijk
of eindeloos alleen.
 
Waar daglicht me redt, maar
veel te vroeg nog laat ontwaken.

Geborgen

Woorden die breken net voordat ze raken. Ontbinden draden, vezel voor vezel, langs het dikst van een huid. Alleen daar waar nooit wrijving was valt een flinterdunne lach, doorzichtig als glas, over een diepste blik naar binnen. Ontrafelt de stilte die dwaalt langs de wervels van een licht gebogen rug. Onthult de plekken waar het zacht is. Waar ik klein en geborgen mag zijn. Zonder het ooit te willen, het weten is genoeg.

Schrijver

De schemering draagt zijn blik door de vitrage heen naar buiten. Flarden van fietsers trekken voorbij. De koude koffie slaat tegen de glazen van zijn bril als hij zich verslikt. Het ritueel. Alsof hij het had kunnen weten. Of had kunnen veranderen. Hij vermoedt van niet.

De stilte schrijft zijn woorden aan elkaar. Een mist van tranen trekt behoedzaam langs de scherpste randen van zijn zinnen. Alsof hij haar beschermen wil. De waarheid. Of koesteren misschien. Hij weet het niet. Op iedere komma haalt hij adem. Hoort de stemmen in zijn hoofd. In een taal die niet valt te weerleggen. Woorden zonder weerwoord. Hij besluit ze te weerstaan. De duisternis valt.

De zon breekt door het schild van uiterlijk vertoon. De verhaallijn in zwart-wit trekt een spoor van irritatie door de kamer. De schrijver ontwaakt op een leeg vel papier. Zelfs geen eerste zin. Hij geniet van de stilte in zijn hoofd. Bedenkt zijn personages als hij fluitend door de straten van zijn stadje loopt. Struikelt met iedere stap over de wereld aan zijn voeten. En vertrekt voor de schemering valt.

Beslagen Glas

Langzaam wrijft hij met de mouw van zijn jas over het beslagen raam. Even lukt het hem om zijn blik op haar scherp te krijgen. Voor ze weer de schim wordt van de vrouw die ze vroeger was.

Haar kant van het glas is helder. Ze kijkt dwars door hem heen naar de jongen die hij voor haar was. In een wereld die altijd ver achter hem lag. Die hij kent uit de verhalen van vroeger.En hij vraagt zich af wie ze ziet. De jongen van toen of de man van nu, maar dan jonger.

Hij staat voor het raam, bang om naar binnen te gaan. In haar wereld balanceert hij, voorzichtig als een koorddanser, om haar woorden en gedachten heen. Probeert te volgen waar zij leidt, maar raakt zichzelf steeds kwijt in het ritme dat bij haar passen hoort. Soms zevenmijlslaarzen groot, soms schuifelende kousenvoeten klein. Een leven lang hebben zij elkaar aangeraakt. Maar daar waar haar verhalen stoppen zijn ze de verbinding kwijtgeraakt. Daar waar zijn eerste herinnering ontstaat.

Langzaam wrijft hij met zijn mouw over het beslagen raam. Hij ziet haar staan. Broos en doorzichtig. Dan kijkt ze hem verlegen aan. Ontmoet hem met een glimlach in haar verleden. Verwarrend en helend. Het glas beslaat als hij zich omdraait om te gaan.

Verleden

De lucht ademt een stilte die er niet is. In de verlatenheid voelt hij het dreunen van het verleden onder zijn voeten met iedere stap die hij zet. Hij hoort de stemmen schreeuwen in een heden dat volledig is verstomd. Met zijn handen schraapt hij zacht de flarden van verhalen van de muren. De verf laat sporen na die vertellen van geweld. De gezichten in zwart-wit verbeelden kracht met meer kleur dan het rood op de muur ooit zal krijgen. Hij dwaalt en verdwaalt. Hij wil weg en blijven. Bevatten, maar nog veel liever niet. En verdwijnen voordat hij beseft dat het verleden meer idealen bevat dan hij voor het heden nog zou kunnen bedenken.