Touwtje

Met het glas tegen de deur luister ik naar de geluiden uit mijn jeugd die ik kwijt dacht te zijn. Ik strijk over het zonlicht dat zacht met de muren speelt. Het is de warmte die me boeit, de schaduw van de laatste jaren raakt me niet. Ik hecht niet aan huizen, maar het vermoeden dat de herinnering vervaagt zodra mijn hand het verpulverde behang laat gaat maakt het zwaarder dan ik dacht. Toch trek ik één voor één alle deuren dicht die nooit meer helemaal zullen sluiten. Het touwtje uit de brievenbus verstop ik in mijn diepste zak.

Vanaf hier

Zacht trekt de wind over de wervels
van mijn licht gebogen huid, ademt
dwars door de onbesproken stilte, landt
ergens tussen denken en verlangen naar,
de hand in mijn rug, alles wat ik dacht te weten,
de dagen dat het er iets toe deed.

De warmte vouwt zich troostend om de vragen
die er altijd waren, het antwoord in gebaren die
ik niet verstond. Een allesomvattend dichtbij.

Besef spoelt af en aan zonder me te raken, toch
houd ik steeds mijn adem in. Dan laat ik mijn
gedachten los net voordat ze vallen.

Vanaf hier ben ik niet wat ik verloor.

Leap of Faith

De gezichten in de kamer.
De zacht geharste tranen
die zich hechten aan het hout.

Tot as vervallen vragen,
zwart geblakerd goud.

Het licht breekt op een schaduw
in het schemerdonker. Omarmt
de warmte van een leven dat vergaat.

Het hoofd oneindig gebroken,
handen onwrikbaar gebogen,
om wat ook had kunnen zijn.

Dit gedicht is geschreven bij het werk Leap of Faith van beelden kunstenaar Ketlin van Esschoten.

Strandjutter

Ik jut strand. Korrel voor korrel,
tot de bodem is bereikt.
Langzaam stijgt het water.
 
Wordt zee weer vaste land.
En vaste land weer zee.
Waar ik onverschrokken stond
raak ik onder water.
 
Ik jut strand. Waterzakken vol.
De zee weer waar hij was.
Ik wring het zout mijn ogen uit
en voel de grond verstijven.
 
Ik jut strand. Waar ik zee vind
zwem ik water. Waar ik strand vind
rust ik zand.
 
Ik jut strand. Het tij wist mijn sporen.
Water. Het strand verlaten.
Alsof er nooit een jutter was.
 

Nachtlandschappen

Het is daar dat ik één word met
mijn schaduw en slechts de echo van
mijn stappen verraadt dat ik meer ben.
 
Het is daar dat woorden zinnen worden,
dat het diepst van mijn gedachten de stilte
oplost tot een geborgen gefluister.
 
Het is daar waar zicht me laat dwalen
en tast me weer vindt, in een eindelijk
of eindeloos alleen.
 
Waar daglicht me redt, maar
veel te vroeg nog laat ontwaken.

Verlegen geel

Een kaart. De contouren van een route met ruimte om te dwalen. Een zoektocht naar woorden die zich hechtte aan gevels in een definitief zijn. Zinnen verborgen achter deuren gesloten , maken nieuwsgierig naar meer. Het zijn de plekken, de vormen die de interpretatie mede bepalen. Roest dat roest vindt in het zicht van de haven. Woorden die je dragen over de golven heen. De weg er naar toe, de maat van de treden die de stappen vertragen. Tot aan het verlegen geel onder woorden die raken als het eindpunt van een prachtige reis.

Literaire wandeling Zutphen

Geborgen

Woorden die breken net voordat ze raken. Ontbinden draden, vezel voor vezel, langs het dikst van een huid. Alleen daar waar nooit wrijving was valt een flinterdunne lach, doorzichtig als glas, over een diepste blik naar binnen. Ontrafelt de stilte die dwaalt langs de wervels van een licht gebogen rug. Onthult de plekken waar het zacht is. Waar ik klein en geborgen mag zijn. Zonder het ooit te willen, het weten is genoeg.